Als ik later groot ben…

…dan word ik kok. Deze gedachte is bij me opgekomen toen ik zo’n jaar of elf was. Als toentertijd verlegen en schrijnend onzeker bleekneusje kan het best zijn dat ik deze gedachte ook zelfs een keer hardop geuit heb. Het mocht niet baten. Zowel mijzelf als mijn omgeving heb ik niet weten te overtuigen dat dit een richting was waar serieus aan gedacht moest worden. Toen ik zes was, was ik er immers ook van overtuigd dat ik boerin zou worden. Maar ja, wat koop je voor dit soort toekomstdromen? Zeker daar ik ongeveer op hetzelfde moment in mijn hoofd had gehaald dat ik naar het gymnasium zou gaan. Zelfs de hogere machten, dit maal in de vorm van het Cito, deden een duit in dat laatste zakje. En hop…daar ging ik.

Ik heb het gymnasium gehaald. Hoewel ik met heel veel plezier op die zes jaar terugkijk, moet ik stellen dat ik mezelf een behoorlijke uitdaging had opgelegd. Zes jaar lang heb ik met oogkleppen voor de wereld – daar had ik allemaal geen tijd voor – me met zo’n drie tot zes uur leren per dag naar de eindstreep geworsteld. Het inzicht dat leren gemakkelijker en leuker is met kennis van de wereld en dat er slechts maar weinig zaken echt hoofdzaak zijn, is pas een poos later gekomen.

Het enige vak waar ik – tot aan het CSE – buitengewoon prettig op scoorde, was Nederlands. Poëzie-analyse, taalkundig en redekundig ontleden, opstel en brief, het was allemaal aan mij besteed. Uiteraard ging het mis op die verdomde samenvatting en tekstverklaring, want ook – oh leve de zelfgegraven valkuil – is het kunnen onderscheiden van hoofd-en bijzaken en wat wereldse kennis voor deze onderdelen geen overbodige luxe.

Enkele jongens in de klas besloten om het na het vwo (voorlopig) voor gezien te houden en te gaan werken. Ik kon er met mijn pet niet bij. Uiteraard ga je doorstuderen! Omdat ik na zes jaar hangen en wurgen toch wat was gaan twijfelen aan mijn studiecapaciteiten, besloot ik om ‘iets te gaan doen met Nederlands’. In eerste instantie was dat de opleiding Journalistiek, maar daar werd ik voor uitgeloot. Dan maar de lerarenopleiding Nederlands 2e graad. Niet omdat ik leraar wilde worden, maar het was de enige hbo-opleiding waarbij Nederlands het hoofdvak was.

Op het hbo bleek dat ik op het vwo toch iets geleerd had wat wel cruciaal is om zonder al teveel moeite door het hbo te komen: ik had geleerd om me ergens in vast te bijten en niet los te laten voordat het resultaat behaald was. Punt voor mij!

Inmiddels had ik mijn eigen studio in Tilburg. Wat een luxe was dat! Een 1-kamerappartement helemaal voor mezelf met alles erop en eraan. Dat het iedere dag 10 km fietsen enkel reis naar het hbo was, vormde maar een klein offer. De eerste zelfgebakken aardappelschijfjes, vanuit bevroren toestand in een gloeiend hete pan gemikt, waren binnen de kortste tijd zwartgeblakerd en rookten zo dat mijn door bezorgde ouders opgehangen brandalarm afging. Om deze tirade de mond te snoeren, moest ik even de batterij van het alarm eruit trekken. Nu hing dat brandalarm aan een 3 meter hoog plafond. Ook met naaldhakken kon ik er niet bij, dus moest er een ladder tevoorschijn getoverd worden. In de tussentijd bleek ook de – eveneens vanuit bevroren toestand – spinazie verkoold te zijn. Dan maar weer wat droge biscuitjes, een liter thee en naar bed. In die begintijd ben ik heel wat kilo’s kwijtgeraakt.

Hoewel ik mezelf toen absoluut niet als ‘Bourgondiër’ kon betitelen, begon langzaamaan de interesse voor het bakken (vooral dat) en braden te komen. Aangezien ik op enig moment een vaste gast aan tafel had, heb ik maanden achter elkaar iedere dag een ander recept gekookt. Omdat het kon en omdat de enige restrictie van zijn zijde venkel was (is te doen) en van mijn zijde aardappels, orgaanvlees, ananas en kokos (is ook te doen). Van buitengewoon smerig en mislukt tot bijzonder lekker…het is allemaal voorbij gekomen.

De eerste verhuizing vanuit mijn studio bracht de mogelijkheid tot een grote tafel met zes (!) stoelen met zich mee. Een nieuw fornuis, een grote koelkast, een vaatwasser (walhalla) en een Magimix maakten dat de Kookclub snel geboren was. Met zes meiden kookten we om de circa zes weken een diner voor de anderen. Met het feit dat ik aan zowel de voorbereidingen als de uitvoering plezier beleefde, was ik sterk in de minderheid. De Kookclub is dus een stille dood gestorven, maar de aangewakkerde liefde voor het serveren van hopelijk smaakvol voedsel aan leuke en lieve mensen niet.

< wordt vervolgd >

Advertenties

Crisis

Mij ontbreken een aantal cruciale, vrouwelijke eigenschappen. Een daarvan is het enig plezier kunnen beleven aan het fenomeen ‘lekker shoppen’. Hele hordes brengen, bij voorkeur in het kielzog van ma of vriendin, al hangertjes tellend hun al dan niet spaarzame vrije tijd door.

Afbeelding

Ik vind dat niet alleen niet leuk, ik word er zelfs een beetje treurig van. Ik doe er echt alles aan om ondanks deze handicap de economie toch draaiende te houden. Zo begeef ik mij heus wel in menig binnensteedse doorsnee winkel of waag ik mij aan een rondje door een tuincentrum. Ook wil ik nog weleens in een webshop rondstruinen, maar haak acuut af als er van ieder ding meer dan drie varianten zijn. Die (online) winkelbezoeken pleeg ik echter nooit zonder vooraf helder bepaald doel, waaraan de SMART-regels nog een puntje kunnen zuigen. In veel gevallen schrijf ik dat doel zelfs op een briefje, mocht ik op een onbewaakt moment om bewijslast gevraagd worden dat het gekochte geen impulsaankoop betreft. Het gebeurt dan ook geregeld dat ik onverrichterzake huiswaarts of offline keer. De reden hiervoor is dat de retailer in kwestie ook niet eens bij benadering aanbiedt wat ik in gedachten heb. Ook gewenste producten die toch wel duur blijken te zijn, worden moeiteloos terug in het vak gelegd. Tot slot is de plotseling opkomende melancholie van het alweer iets moeten kopen altijd een spelbreker. Het is maar goed dat we nog altijd – zij het in iets rustiger tempo – aan het verbouwen zijn, want anders zou ik me nog schuldig voelen aan de financiele crisis.